MENU

Thomas van Aquino en zijn betekenis voor de dominicaanse zending

Essay
Door Leo Oosterveen O.P., dominicaan en leerhuiswerker

In dankbare herinnering aan Theo Beemer (1927-2003), in leven lector moraaltheologie te Nijmegen, die mij Thomas leerde lezen.

Thomas van AquinoEen van de bekendste dominicanen is de 13de eeuwse theoloog en filosoof Thomas van Aquino (1225-1274). Komend uit een adellijk Italiaans geslacht sloot hij zich aan bij de toen nog jonge bedelorde van de dominicanen. Dit was zeer tegen de zin van zijn familie in, die wilde dat hij benedictijn zou worden. Hij zou uitgroeien tot een van de grote westerse filosofen en theologen. Aanvankelijk niet onomstreden, is hij in de latere kerk- en theologiegeschiedenis tot een monument geworden, en is zijn werk (onterecht) tot een systeem gemaakt dat als ijkpunt voor rechtzinnigheid is gaan gelden.

Openstaan voor argumenten
Thomas is dol op argumenteren. Zijn werken bestaan uit voortdurende afwegingen van argumenten pro en contra, zoals onder meer blijkt uit zijn Summa theologiae. Wil je Thomas recht doen, dan moet je altijd openstaan voor nieuwe argumenten en nieuwe afwegingen maken. Alleen al daarom is het tegen de geest van Thomas om zijn denken tot een gesloten systeem te maken.

God doordenken in termen van ‘zijn’
Met behulp van de in zijn tijd herontdekte en vertaalde geschriften van de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) heeft Thomas het geloof willen doordenken en dat leverde nieuwe gezichtspunten op. Zijn leermeester en medebroeder Albertus de Grote (1206-1280) heeft hem op het grote belang van deze filosoof gewezen. Thomas wil in het spoor van Aristoteles God doordenken in termen van het ‘zijn’. Het ‘zijn’ is het meest algemene en tegelijkertijd meest pregnante begrip in Aristoteles’ filosofie. Van alle dingen kun je in elk geval zeggen, dat ze ‘zijn’. Alles deelt in het ‘zijn’, zij het telkens op specifieke wijze. Thomas borduurt erop voort. God is het hoogste, pure, meest volmaakte en voor ons onvoorstelbare ‘zijn’. Gods wezen en zijn ‘zijn’ vallen samen. Bij schepselen is dat niet zo. Zij zijn maar op een beperkte wijze en moeten altijd nog worden wat ze kunnen zijn. Schepping en God hebben het ‘zijn’ gemeen, en alle schepselen participeren op eigen, eindige wijze aan het hoogste, goddelijke ‘zijn’. Daarom kunnen mensen vanuit hun beperkte zijn iets over God zeggen, iets wat ertoe doet. Thomas noemt dat analoog spreken: een spreken dat weliswaar treffend is, maar altijd ook weer tekortschiet en dus moet worden hernomen. Alleen Gods ‘zijn’, het hoogste zijn, is noodzakelijk van aard, omdat alleen God de laatste en definitieve oorzaak is van alle geschapen werkelijkheid. Voor Thomas is deze overtuiging een Godsbewijs, een denkweg naar God.

Het zelfstandige kenvermogen van de mens
Door het denken van Aristoteles over onder meer ‘zijn’ en ‘oorzaak’ in de theologie te integreren, wil Thomas zaken als God, schepping en eindigheid op een nieuwe wijze aan de orde stellen. Dit laat onverlet de bijbelse heilsfeiten en de openbaring, waar we wel rationeel over kunnen nadenken, maar die we uiteinde lijk moeten aanvaarden en niet kunnen ‘bewijzen’. Docerend aan universiteiten en in studiekloosters binnen zijn orde, onder meer in Parijs, Napels en Orvieto, heeft hij heel veel commentaren op de bijbel geschreven en niet alleen wijsgerig-theologische arbeid geleverd. Bij alle vernieuwing is Thomas niettemin schatplichtig gebleven aan zijn voorgangers, met name Aurelius Augustinus (354-430). Thomas houdt vast aan het denkschema dat de schepping voortkomt uit God en naar hem terug-keert als haar doel. Maar anders dan zijn voorgangers en sommigen van zijn tijdgenoten heeft Thomas meer oog voor het zelfstandige kenvermogen van de mens. Met dat vermogen kan de mens de werkelijkheid begrijpen in al haar concreetheid en eigenheid. Kennis krijgen we niet (alleen) door goddelijke verlichting. Thomas ziet de mens bovendien als bezielde lichamelijkheid, dus niet als een ziel met een louter stoffelijk omhulsel. En tegen de begeerte kijkt hij nuchterder aan dan Augustinus, die haar vreesde als ondermijning van de wil. Thomas vindt de begeerte op zich niet verkeerd, als ze maar maat houdt.

Scheppingsoptimisme
Een beroemd adagium van Thomas is dat de genade de natuur niet opheft, maar vervolmaakt. De genade en de openbaring bouwen voort op de schepping die Thomas ziet als Gods voortdurende leiding en heilzame aanwezigheid in de wereld. Thomas is een scheppingsoptimist. En vanuit het goede van die schepping keren we uiteindelijk weer naar het goede, God, het hoogste geluk terug. Het inoefenen van de deugden, de moraal, dient er volgens Thomas toe dat we gelukkige(re) mensen worden.

Wezenlijke relatie tussen schepping en goddelijke werkelijkheid
Bovenstaande schets is heel summier, te summier. Thomas’ oeuvre is enorm (meer dan zeven miljoen woorden!) en gaat in zekere zin over alles. Maar het gaat er Thomas niet om alle toenmalige kennis aan de orde te stellen. Thomas is niet een encyclopedist, maar een theoloog die meent dat de hele werkelijkheid iets over God zegt, mits je bereid bent om die werkelijkheid onder het opzicht van God te beschouwen! Voor een theoloog als Thomas is daarom de hele menselijke werkelijkheid – niet alleen Schrift en traditie - relevant en in die zin vindplaats van God. Thomas is ervan overtuigd dat er een wezenlijke relatie is tussen schepping en goddelijke werkelijkheid. De eerste deelt op beperkte wijze in het volmaakte zijn van de laatste. In de reformatie zal deze aanname op tegenstand stuiten, onder meer bij Maarten Luther (1483-1546) en later bij Karl Barth (1886-1968). Thomas zou te weinig aandacht schenken aan Gods absolute transcendentie en aan de afhankelijkheid van de schepping ten opzichte van Gods genade. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat er niettemin een fundamentele overeenkomst bestaat tussen Thomas’ opvatting over de genade en die van de grote reformatoren.

Streven naar harmonie
Wel is het zo dat Thomas’ denken gekenmerkt wordt door een streven naar harmonie en wel tussen geloof en rede, natuur en genade en de menselijke en de goddelijke werkelijkheid. Met een modern woord zou je kunnen zeggen dat volgens Thomas de menselijke werkelijkheid wezenlijk gerelateerd is aan de goddelijke, ook al heeft ze een relatieve zelfstandigheid. Dit besef heeft doorgewerkt bij hedendaagse dominicaanse theologen, zoals Marie-Dominique Chenu (1895-1990), Edward Schillebeeckx (1914-2009) en Gustavo Gutierrez (1928-) die proberen aan te geven welke positieve, maar ook negatieve sociale, historische, culturele en existentiële bestaanservaringen Gods heil aan het licht brengen. Chenu, Schillebeeckx en Gutierrez denken historisch en contextueel. Dat kon Thomas nog niet als middeleeuws denker. Maar zijn denken over de relaties ‘mens en God’, ‘natuur en genade’ en ‘rede en geloof ’ heeft deze moderne dominicaanse theologen beslist beïnvloed.

Hoe Thomas recht doen?
Thomas’ theologische intentie vandaag de dag recht doen: hoe doe je dat? Door hem te bestuderen en zijn interpretatie van Aristoteles’ denken over zijn, natuur, oorzaak en God te ontleden? Toen ik theologie studeerde, in de jaren ’70 van de vorige eeuw, zeiden nogal wat maatschappijkritische dominicanen, ikzelf incluis: vandaag de dag zou Thomas van Aquino in plaats van Aristoteles Karl Marx tot uitgangspunt nemen; in zijn denken komt immers de acuutheid van de sociaal-economische situatie van de westerse samenleving en van haar onmenselijkheid het meest fundamenteel aan het licht. In 2003 was ik in Rome bij een bijeenkomst van de filosofische studieleiders van de orde. Een doorgewinterde Amerikaanse thomist, de moraal-theoloog en -filosoof Benedict Ashley OP, zei toen dat we - als we Thomas echt recht willen doen - hem niet zozeer moeten reproduceren, maar als theologen werk moeten gaan maken van de implicaties van de nieuwste fysica en biologie: de kwantummechanica, de tweede wet van de thermodynamica en de neurobiologie. Dát zijn de frontlinies van de huidige menselijke kennis van de natuur! Met deze voorbeelden wil ik maar aangeven dat de focus van de studie van de (menselijke) werkelijkheid telkens verschuift en oneindig vele aspecten heeft. Alle kennis is historisch bepaald, beperkt, eindig en ziet uit naar de volgende stap. Maar in die eindige kennis licht niettemin steeds iets van Gods grootheid en heil op, want al die kennis levert, onder het opzicht van God, woorden op waarmee we God ter sprake kunnen brengen. Dat is Thomas’ diepste overtuiging. Thomas heeft zich zijn leven lang uitgeput in het geven van woorden aan God, maar op 6 december 1273 breekt het moment aan dat hij ineens stilvalt. Hij zegt dat hij niet meer verder kan en dat alles wat hij geschreven heeft, hem als stro voorkomt. Een paar maanden later sterft hij, op 7 maart 1274, nog geen 50 jaar oud, op weg naar het concilie van Lyon. Was het een burn-out of een ervaring van iets veel belangrijkers dan hij ooit
had uitgedacht en opgeschreven? Het moet een ervaring zijn geweest die alle theologische en wijsgerige redenering relativeert in het licht van Gods geheim.

Betekenis voor de dominicaanse zending
Wat is de betekenis van Thomas voor de dominicaanse zending, waarover op dit moment in dominicaanse kring zoveel gesproken wordt? De centrale taak van de dominicaanse beweging is de verkondiging. Met dat doel heeft Dominicus zijn orde gesticht in 1216. Om de dominicanen een hart onder de riem te steken en het goed recht van hun ideaal te onderstrepen, zegt Thomas (Summa theologiae IIa IIae, q. 188, a.6): “Verlichten is beter dan alleen zelf het licht te bezitten […], daarom is het beter aan anderen door te geven wat men heeft gecontempleerd, dan alleen maar zelf te contempleren.” Tegen de achtergrond van Thomas’ denken is hier niet alleen de verschuiving naar de overdracht en de verkondiging van belang. Ook de inhoud van de contemplatie zelf krijgt bij Thomas een aparte kleur. Contempleren wordt: je richten op de hele menselijke werkelijkheid als vindplaats van God. Voor de dominicaanse zending betekent dit dat concrete menselijke ervaringen - religieus, sociaal, politiek - niet bijkomstig zijn, maar een wezenlijke bron van openbaring kunnen zijn en daarmee uitdrukkelijk onderwerp van de verkondiging. Dit hoeft niet tot navelstaarderij te leiden, zolang we maar beseffen dat “God groter is dan ons hart” (1 Joh. 3,20) – en dan ons verstand, zou Thomas eraan toevoegen.

Dit essay verscheen in het Dominicaanse tijdschrift Geloven Onderweg 2013-2.
(te bestellen via info@kloosterhuissen.nl, meer over Geloven Onderweg op http://www.kloosterhuissen.nl/tijdschrift).

Leo Oosterveen begeleidt van vrijdag 16 augustus tot zondag 18 augustus de studiebijeenkomst Leven zonder waarom over de begijn Marguerite Porete en de dominicaan Meister Eckhart. Begeleiding door Leo Oosterveen, samen met Dorry de Beijer en Evert van den Berg, meer informatie op http://www.kloosterhuissen.nl/p/750

Terug

Wanneer is er wat te doen?

Kalender wordt geladen...

Bekijk het volledige overzicht >

Volg ons op Twitter Twitter icon

Ontvang onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte en meld u aan voor de nieuwsbrief
Aanmelden

Lees hier de Kloosterkrant

Het Klooster in beeld